
Blog: Er is een redding voor onze falende infrastructuur
Nederland heeft een probleem dat steeds moeilijker te verbergen valt: onze infrastructuur veroudert sneller dan we haar kunnen onderhouden. Dat merken treinreizigers wanneer een wissel uitvalt, automobilisten wanneer een brug wordt afgesloten en bedrijven wanneer een verbinding niet meer betrouwbaar is.
Op het spoor is de waarschuwing inmiddels concreet. ProRail verwacht dit jaar opnieuw boven de afgesproken grens van 520 impactvolle storingen uit te komen. Ook in 2027 wordt die grens naar verwachting niet gehaald. In 2025 waren er al 586 van zulke storingen. Zoveel storingen zijn samen bijna geen incidentele storing meer: ze vormen een structureel probleem. En dat probleem is vooral een financieringsprobleem.
Het kabinet erkent inmiddels dat de basis van onze infrastructuur op orde moet worden gebracht. Op Prinsjesdag werd tot 2040 €5,1 miljard extra voor aangekondigd. Een druppel op een gloeiende plaat: er zijn miljarden extra nodig. Eerst om geplande bezuinigingen te voorkomen, dan om achterstanden weg te werken en dan nog eens om toekomstbestendig te worden.
We moeten ons inmiddels afvragen of de manier waarop we publieke investeringen financieren nog wel past bij de werkelijkheid. Want een spoorlijn, brug of tunnel is geen consumptie. Het is een investering waarvan Nederlanders tientallen jaren gebruikmaken. Toch concurreert het geld ervoor op de Rijksbegroting ieder jaar met uitgaven die direct moeten worden betaald. Wie vandaag een brug bouwt waar we vijftig jaar gebruik van maken, moet dezelfde begrotingsregels volgen als voor een uitgave die na één jaar verdwenen is. Daar kunnen we anders mee omgaan.
Geld is er wel
Het goede nieuws is dat er een uitweg is. Want Nederland is geen arm land, Nederland moet alleen anders met geld omgaan. Het voorstel voor een Nationale Investeringsbank (NIB), vorig jaar aangejaagd door zeventig vooraanstaande economen en topmannen als Peter Wennink, moet het vastgelopen begrotingssysteem doorbreken. De bank kan kapitaal ophalen om grote maatschappelijke transities langjarig te financieren. Ook in de Tweede Kamer is steun voor een NIB uitgesproken. Maar er dreigt een vreemde knip te ontstaan. Want terwijl we met een investeringsbank onze toekomst zeker willen stellen, dreigt de infrastructuur buiten beeld te blijven. Dat is moeilijk uit te leggen.
Zonder infrastructuur geen innovatie
Neem Brainport Eindhoven. ASML breidt daar zijn activiteiten fors uit en is inmiddels begonnen met de bouw van een nieuwe campus met ruimte voor uiteindelijk zo'n 20.000 werkplekken. De gemeente Eindhoven benadrukt tegelijkertijd dat goede bereikbaarheid — met wegen, fietsverbindingen en openbaar vervoer — essentieel is voor de groei van het gebied. Maar de verbindingen per openbaar vervoer ontbreken vrijwel. Steken we straks miljarden in innovatie, kennis en nieuwe technologie, terwijl de mensen die dit moeten ontwikkelen niet eens betrouwbaar op hun werk kunnen komen? Terwijl goederen niet op tijd hun bestemming bereiken en bedrijven slecht verbonden zijn met de rest van Nederland en Europa? Openbaar vervoer en infrastructuur zijn niet de tegenhanger van economische groei. Ze zijn er een voorwaarde voor.
Bovendien maakt goede infrastructuur Nederland weerbaarder. Een land dat afhankelijk is van één weg, één spoorverbinding of één kwetsbare brug heeft weinig alternatieven wanneer klimaatverandering, extreem weer of geopolitieke ontwikkelingen een verbinding treffen. Juist daarom is investeren in meerdere betrouwbare vervoersmogelijkheden geen luxe, maar risicobeheersing.
De discussie over de Nationale Investeringsbank zou daarom niet moeten eindigen bij innovatiebedrijven en technologie. Infrastructuur is hier ook een vereiste. Het begin is er al: de Tweede Kamer heeft inmiddels aandacht gevraagd voor het meenemen van mobiliteitsinfrastructuur bij de verdere uitwerking van het voorstel voor een nationale investeringsbank. Nu moet het kabinet doorpakken. Geef de Nationale Investeringsbank een breed genoeg mandaat om ook in infrastructuur te investeren. Niet omdat er geen geld is, maar omdat we het geld dat er wél is op een verstandige manier aan onze toekomst moeten verbinden. Als we dat niet doen, blijven we ieder jaar opnieuw constateren dat onze infrastructuur verder achteruitgaat. Als we het wel doen, kunnen we eindelijk investeren op de termijn waarop infrastructuur zelf werkt: niet één begrotingsjaar, maar een hele generatie.
Daan Zieren
Directeur Reizigersvereniging Rover
